Scene 1
Hij staat voor het raam van zijn appartement en kijkt neer op de straat, kinderen spelen ‘stoeprandje’ met een bal. Over de daken van de laagbouw scheert een reiger gracieus langs een schoorsteen om even later te landen op het beeld van de visser midden in de vijver. In de verte ziet hij de wieken van de molen, het is monumentendag, de enige dag in het jaar dat de molen zijn wieken draaien laat.
In gedachten verzonken dwaalt zijn blik naar de kassen aan het einde van de doodlopende straat. Als stille getuigen van de oprukkende stad strooien zij Â’s nacht hun licht uit over de vinexwijk. Nog niet zo lang geleden reden hier de vrachtwagens af en aan, hun vracht bestond uit tomaten en komkommers, vol liefde gekweekt door mensen wier werk hun trots was. Nu werd het glas spaarzaam bevolkt door palm of agave, gekweekt met dezelfde liefde en trots, maar slechts als hobby.
Flarden uit zijn lange werkzame leven lieten zijn geest opbloeien. Hij had dan wel niet gewerkt in de kassen, de passie voor een eerzaam beroep was hem niet vreemd. Zijn blik dwaalde weer naar de kinderen op straat, wat zouden zij willen worden? Zouden zij ook, net als hij en de tuinder aan het eind van de straat, een passie ontwikkelen voor een beroep? En zouden zij zich, op zijn leeftijd, net zo voelen als hij, een monument? De mist in zijn hoofd trok langzaam weg door het geluid van de telefoon Â…
|